In het hele land had de winter van 1978/'79 zich flink laten gelden. Ik werkte op een lagere school in Opmeer. De scholen heetten toen zo, de basisschool was nog niet ingevoerd. Dagelijks legde ik de afstand Venhuizen-Opmeer af met mijn autootje. In Hoorn stapte collega Carla in.
Die morgen was het al behoorlijk aan het sneeuwen, maar het was nog te doen. Zo kwamen we zonder serieuze problemen op school en niet eens zoveel te laat. Ik was dan ook echt verbaasd dat er maar heel weinig kinderen op school waren. Geen klas was compleet, soms niet eens voor de helft! Zover wonen kinderen toch niet van school, hooguit een paar straten. En wij dan, we hadden er 30 km over sneeuwwegen opzitten. Toch bleek het een verstandig besluit van ouders hun kinderen thuis te houden, want het werd in de loop van de morgen buiten een witte hel. Het sneeuwde hard en de wind trok aan. In een paar uur tijd vormde zich een sneeuwhelling tegen het fietsenhok die tot het dak kwam. Met lede ogen zag ik de weg verdwijnen onder een groeiend pak sneeuw. En we moesten nog naar huis...
Binnen, in school, was het gezellig, er werd getafeltennist, geschaakt, spelletjes gedaan, voorgelezen, en natuurlijk geen les gegeven. Er kwam zelfs iemand van de gemeente kijken of het wel goed met ons ging. De telefoon stond roodgloeiend door ouders die hun kinderen afmeldden. Zelfs een collega meldde zich af omdat ze haar dorp niet uit kon komen, we hebben haar de rest van de week niet meer gezien.
Om 12.00 uur ging de school uit, het was woensdag, dus wij mochten ook naar huis... en wel meteen!!! De directeur duwde mij nog iets in mijn handen. "Hier, de schep van school, die heb je vast nodig". Ik vroeg nog paniekerig: "Wat moet ik doen als ik ga glijen?" "Gas los, niet remmen en afstand houden". En de schep van school kwam zeker van pas, en hoe. De school ligt aan een woonerf, weinig verkeer, niet gestrooid en de sneeuw niet aan de kant geschoven. Steeds maar scheppen, stukje rijden, scheppen... Over de 100 meter tot het einde van de straat deden we ik weet niet hoe lang en we moesten nog 30 km!! Maar, wonder boven wonder, eenmaal op de uitvalsweg en de A. C. de Graafweg konden we doorrijden; langzaam en in het spoor van voorgangers.
In Hoorn stapte mijn collega uit, ik moest alleen verder. Jeminee, wat zat ik gespannen achter het stuur, af en toe herhalend: niet remmen, gas los... Kon ik eigenlijk mijn dorp nog wel in, was Venhuizen ook niet van de buitenwereld afgesloten? Ik nam me voor om hoe dan ook thuis te komen, al werd het avond. Ik had per slot van rekening de schep van school mee!
Het bleek mee te vallen, ik kon gewoon mijn dorp inrijden en zelfs gewoon ons pad op. Zooo, ik was zo blij dat ik thuis was! Ik plofte voor de kachel en viel letterlijk om van moeheid. Als ik mijn ogen dicht deed zag ik nog de sneeuwvlokken dwarrelen.
We aten die avond een soort quarantainemaaltijd: stamppot van aardappelen en een winterpeen. Er was gewoon niks anders. 's Avonds kwamen de buurjongens op visite, in zulke tijden zoek je elkaar op. Ze waren bloemkoolbouwers, de winter was voor hen een rustige tijd. Het werd gezellig met een biertje erbij. Toen ter sprake kwam of ik de volgende dag naar school zou gaan, zei ik dat ik dat nog niet wist. Dat was voor hun de reden om het comité Verontruste Buren op te richten. Het bleek een comité zonder bevoegdheid, misschien een adviserende. In elk geval verdween het met het smelten van de sneeuw. We hadden er in elk geval een boel lol om gehad. En ik weet eigenlijk niet meer of ik de volgende dag naar school ben gegaan.
foto: rtv noord