Verhaal

Waterbeheer en een poldermolen

De poldermolen was eeuwenlang beeldbepalend bij het waterbeheer in polders

Fallback Image Profiel Vincent Erdin

Een Hollandse polder zonder poldermolen is bijna ondenkbaar. Pas na de opkomst van stoom zou dat beeld geleidelijk aan gaan wijzigen en verdwijnt de poldermolen uit beeld.

De Vogelhoeksmolen in Enkhuizen

In het buitenmuseum staat de Vogelhoeksmolen, destijds overgekomen uit een polder bij Hemelum in Friesland. De molen heeft vrijwel aan de Zuiderzee gestaan, de plaats waar de molen nu staat kon daarom niet beter: in een polder en aan een dijk. De poldermolen bemaalde een polder van 50 hectare, geen groot oppervlak en dat is af te zien aan de afmeting van de wieken. Plus minus 20 meter van top tot teen. 

Over de molen zijn een paar dingen te zeggen. Het is een grondzeiler, dat wil zeggen dat de wieken van de molen als zij draaien bijna de grond raken, zij zeilen als het ware over de grond heen. Het is een buitenkruier, aan de buitenkant van de molen zit het kruirad waarmee de molenaar de kap van de molen op de wind kan zetten. Op de foto is dat kruirad niet te zien omdat het aan de achterkant zit. Op de foto zijn vlak onder de wieken nog wel de schoren te zien die in een V vorm naar onderen naar de staart en het kruirad lopen. En de molen heeft als opvoerwerktuig een vijzel. Dat zorgt er voor dat het water van de ene sloot naar de andere sloot opgepompt kan worden. Ook de vijzel is op de foto niet goed te zien, deels omdat het onder het wateroppervlak ligt en ook omdat de foto van een afstand is genomen. 

Voordat er massaal gebruik werd gemaakt van een vijzel (in sommige delen van het land ook een ,,wokkel" genoemd) had iedere molen een scheprad. Dat scheprad kon een diameter van vier à vijf meter hebben en zat aan de zijkant van de molen. Belangrijk nadeel van een scheprad was dat het een lage netto opbrengst had. Van een draaiende vijzel ketst het blad eerst op het water om vervolgens dat water mee op te voeren, er loopt nogal wat water weg van het blad. Van iedere liter water die opgevoerd werd verloor je vier deciliter. De vondst van de vijzel was al een hele vooruitgang. De vijzel kon in de molen worden ingebouwd en lag in een koker, het waterverlies werd daardoor al aanzienlijk beperkt en het rendement nam toe. De eerste vijzels waren van hout, toen staal beter bewerkt kon worden werd niet alleen de as van de vijzel van staal gemaakt maar ook de vijzel zelf. 

Een ander belangrijk voordeel van een vijzel was dat de opvoerhoogte aanzienlijk groter was dan van een scheprad. Een scheprad kon het water tot maximaal 2 meter opvoeren. Bij een vijzel hangt het vooral af van de lengte van de vijzel maar vier tot 5 meter is haalbaar doch niet erg gangbaar. Tussen de twee en drie meter is wel veel voorkomend vooral in diepere polders. 

Wat te doen als de polder op -5 m NAP ligt? In dat geval worden er een aantal poldermolens achter elkaar geplaatst die stuk voor stuk het water uit de lager gelegen polder een beetje opvoeren. Nummer 1 geeft het water door aan nummer 2 en 2 weer aan 3. De hoogste molen slaat het water dan uit op een vaart of rivier. Bij sommige droogmakerijen in Noord Holland staan nog steeds meerdere poldermolens bij elkaar, als stille getuigen van een molen drie- of viergang. 

Er is nog één werkende molenviergang in Nederland en die staat bij in Zuid Holland bij Aarlanderveen in de Drooggemaakte polder bewesten Aarlanderveen.

Terug naar de Vogelhoeksmolen.

Wat op de foto wel goed te zien is, is de ligging: op de voorgrond een wat dieper gelegen terrein: de denkbeeldige polder en de peilschaal is goed te zien. De peilschaal was het instrument van de dijkgraaf om te bepalen of hij de molenaar opdracht moest laten geven om water te gaan malen. De molenaar mocht in dit geval geen eigen initiatief tonen al zou hij daar op grond van zijn ervaring waarschijnlijk goed toe in staat zijn. Voor de molenaar was een ambtsinstructie opgesteld, daarin staat uitvoerig beschreven wat hij wel mocht en niet mocht. Vrije dagen waren toegestaan, maar dan moest hij vooraf verlof vragen. Omdat een molenaar daartoe gedwongen nu eenmaal veel tijd in en om de molen doorbrengt had hij vaak wel het recht op ,,vrij gebruik van tuin en erf". In de praktijk komt dat neer op een forse lap grond als groente- en moestuin en een stuk grond voor een geit en een toom kippen.

De peilschalen die op de foto staan geven de bezoeker op inzichtelijke wijze aan dat de polder lager ligt dan de dijk op de achtergrond en de Urker bult. 

Iedere polder in Nederland heeft een eigen vastgesteld polderpeil, bij iedere poldermolen is een peilschaal aangebracht ter controle. Als er veel hemelwater (regen of andere neerslag) is gevallen dan kijkt de molenaar op de peilschaal en weet of hij een opdracht tot malen kan verwachten. Ook als de molenaar van de buurpolder is gaan malen en dat water door ,,zijn" polder wordt afgevoerd weet de molenaar dat er werk aan de winkel is. Soms is dat aanleiding voor een aardige anekdote. In een strenge winter met veel ijs komt er toch een keer een moment dat de temperatuur weer gaat stijgen en het ijs smelt. Als dat proces bij de buren net iets sneller gaat kan het zijn dat de buurpolder al opdracht geeft om het smeltwater weg te malen terwijl er bij de buren nog steeds ijs ligt en dat aangevoerde water geen kan uit kan, behalve het land onder water zetten. Overleg tussen de verschillende polderbesturen was niet.

Op de achtergrond van de foto is het IJsselmeer te zien, de denkbeeldige plek waar deze Vogelhoeksmolen het polderwater op af had kunnen voeren. Op de plek waar de molen ooit bij Hemelum heeft gestaan maalde de molen het water af op het water De Vogelhoek. Nu de poldermolen in het Zuiderzeemuseum staat wordt er ,,voor de prins" gemalen dat wil zeggen dat de molen geen productie maalt maar het water in een eigen circuit rondpompt. Dat maakt het aanschouwelijke aspect: polder, water, peilschaal, molen en dijk er niet minder om.  

Op de kaart van medio 1904 staat De Vogelhoek rechtsboven afgebeeld, het water onderaan is de Zuiderzee.

De Vogelhoek op de kaart