Verhaal

De Dronter kampbeheerder H. Lokken

Lucy Knot [Gebaseerd op een interview van juni 2009]

Dit is een van de vele interviews die gepubliceerd zijn in de jaarboeken van de De Stichting Geschiedschrijving in de Gemeente Dronten. Het betreft een interview over het werkkamp Dronten.

Het oostelijk deel van Flevoland was een nieuw gebied waar aan ontginning werd gewerkt, waar huizen en winkels werden gebouwd en waar voorzieningen moesten komen die het voor de bewoners “leefbaar” zouden maken ?

Oud-Dronten kende toen al een aantal bewoners. Zij waren voornamelijk bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders in dienst. Daarnaast had je mensen die zich bezig hielden met de wegenaanleg of die in de bouw werkzaam waren. Voor hen was het kamp bedoeld. Een andere groep bewoners werd gevormd door de toekomstige pachters (akkerbouwers, gemengde bedrijven, veehouders en fruittelers) die nog zonder hun gezin hier kwamen werken op hun nieuwe bedrijf. Rond 1960 verbleven in het werkkamp van Dronten dan ook alléén maar mannen.

De beheerder van het werkkamp in Dronten was van 1959 tot 1976 Henk Lokken. En ik moet oppassen om hem goed aan u voor te stellen, want hij werd door iedereen de heer Lokken genoemd. Dus laat ik dat ook maar doen. Een oude rot in het vak. Begonnen als kok in de Wieringermeer, daarna kampbeheerder in diverse plaatsen in de Noord-Oost Polder en toen naar Dronten. Na zijn werktijd in Dronten is hij nog kampbeheerder geweest in Lelystad-haven.

Hoewel de heer Lokken niet meer leeft, kunnen wij van zijn zoon Albert nog veel horen over de tijd dat het werkkamp volop draaide en zijn vader er de scepter zwaaide. De heer Lokken had het hele beheer over het kamp. Hij voerde de algehele leiding over de keuken met twee koks, en over het tuinonderhoud dat door één tuinman verricht werd.

In het werkkamp konden maximaal 300 personen slapen. Het aantal van de daadwerkelijke bezetting fluctueerde.

’s Morgens kon men ontbijten in de eetzaal en lag er voor iedereen gesmeerd brood klaar om mee te nemen naar het werk. Om 18.00 uur kon men in de eetzaal terecht voor de warme maaltijd. Dan was iedereen aanwezig, behalve in de oogsttijd dan kon men later eten. Maar voor iedereen gold: “zelf het eten opscheppen”.

Alles wat nodig was voor de maaltijden werd besteld in het centraal magazijn van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders in Kampen. Dat leverde ook aan de werkkampen in Biddinghuizen en Swifterbant. In dit magazijn werd ook het brood gesmeerd en verpakt, dat de kampbewoners als lunch meenamen. U zult begrijpen dat dit grote hoeveelheden waren. Het ging hierbij om kisten vol aardappelen en groente, veel vlees en een enorm aantal broden en dito boter en beleg. Lange werkdagen en noeste arbeid maken hongerig, nietwaar? En vergeet de gezonde buitenlucht niet. Het afval werd weer opgehaald en gebruikt als varkensvoer.

Ook de politie sliep in het werkkamp en ook de jachtopzieners hadden er een eigen plek.

Er werden toen ook al opgravingen gedaan naar vliegtuigwrakken en de bemanning van de Luchtmacht sliep in het werkkamp van Dronten wanneer zij in Flevoland waren.

De kantine werd beheerd door de kantinebeheerder. Hij zorgde er o.a. voor dat er ontspanningsavonden waren of dat er een film werd gedraaid. Onderling contact was belangrijk en in de kantine kon men  - buiten de werkkring om - de nieuwkomers ontmoeten die voor korte of langere tijd hier woonden en werkten. Ook de moeder van Albert hielp mee. Zij bediende in de keuken de afwasmachine. Ze waren altijd aan het werk. 

Het gezin Lokken woonde op het terrein van het werkkamp en van hieruit gingen de kinderen met een busje van de Rijksdienst naar de lagere school in Kampen. De MULO werd in één van de barakken opgestart.

Bij het aanhoren van Albert z’n verhaal probeer je je, als interviewer, een voorstelling te maken van hoe het geweest moet zijn om te wonen in een kaal gebied waar alles nog van de grond moest komen. Waar alles nog ingericht moest worden om er te kunnen leven, te kunnen werken en te wonen. Alleen maar werken, eten en slapen. Of zoals Albert Lokken het zegt bij zijn overlevering: “het was een bijzondere tijd”.

Van hem nog de volgende anekdote:

Eén van de kampbewoners zou ’s morgens om vijf uur gewekt worden door de vrouw van zijn baas. Afspraak was dat zij hem aan z’n grote teen zou trekken zodat hij wakker werd. Zij had het kamernummer gekregen en wist dat hij op het vierde bed aan de rechterkant sliep. Maar op dat kamernummer aangekomen en in het bed gekeken te hebben, herkende zij de persoon niet. Dan maar de kamer ernaast (vierde  bed rechts). Ook hier was ze niet zeker dat dit de persoon was die zij moest wekken. Dus terug naar de eerste kamer, maar…onderweg daar naar toe komt er een man van het toilet die verbaasd zegt: “maar mevrouw wat doet ú hier”??

De vrouw legt uit wie ze zoekt en de man kan haar vertellen in welke kamer de gezochte persoon slaapt. De man gaat terug naar zijn bed en de vrouw gaat naar de juiste kamer om de “slaper” aan zijn grote teen te trekken om hem wakker te maken. Daarna rent de vrouw naar buiten en wacht in de auto totdat de medewerker naar buiten komt en ze (’s morgens om vijf uur) de polder inrijden voor een lange dag agrarisch werk in Flevoland.