In een vorige bijdrage ging het over de relatie tussen twee gemeenten in dit geval tussen Schokland en Stad Vollenhove. De gemeente Stad Vollenhove wist dat er op het eiland een brandspuit te koop was en liet die overvaren.
In de raadsnotulen van de gemeente Stad Vollenhove staat bij de raadsvergadering van 13 augustus 1868 een bijzonder agendapunt. Daar wordt het College van Burgemeester en Wethouders opgedragen om de dank kenbaar te maken voor de geboden hulp en bijstand door de gemeenten Blokzijl en Genemuiden alsmede door enkele particulieren uit Stad Vollenhove bij de bestrijding van de brand op 7 en 8 augustus, dus kort daarvoor.
Er was inderdaad brand uitgebroken en dat moet niet ver van de havezathe Oldruitenborgh zijn geweest want uit de gracht die om het buiten heen loopt werd, met toestemming van de baron, bluswater opgepompt. Waar die brand precies is geweest en wat er in de brand heeft gestaan is niet meer te achterhalen. (In Stad Vollenhove staan meerdere havezathen, de een mooier en groter dan de ander maar het waren de woonhuizen van de landadel, de mooiste is de Oldenhof met een fraaie tuin en in een bosachtige omgeving).
Bijzonder bij deze brand zijn twee zaken:
1: de hulp van Blokzijl en Genemuiden. Blokzijl ligt een kilometer of zes verder naar het noorden langs de voormalige zeedijk maar Genemuiden ligt een behoorlijk eind verder en je kunt er alleen met de boot over de IJssel komen. Of er is gebruik gemaakt van de veerdienst of er is een aparte boot van Genemuiden naar Vollenhove gevaren met manschappen en blusmaterialen dat blijft de vraag.
Zwartsluis zou hier meer voor de hand hebben gelegen.
Het tweede wat opmerkelijk is: er komt een inzamelingsactie op gang. Bij de redactie van verschillende regionale kranten worden de ontvangen bijdragen genoemd. Het gaat niet om spectaculair grote bedragen maar misschien dat de grote stroom dan al achter de rug is.
De brand in Vollenhove moet bredere aandacht hebben gekregen dan alleen in het Land van Vollenhove en dat geeft bij schade aan huis en haard toch een gevoel van saamhorigheid en het gevoel om iets te moeten doen. Lotte Jensen, hoogleraar in Nijmegen, doet onderzoek naar rampen en wat dat bij de bevolking oproept. Het geven van geld is een vrij algemeen voorkomend beeld zo blijkt uit haar onderzoek.
Hoe de hulp gecoördineerd is, is niet te achterhalen. Bij de watersnoodramp van februari 1825 is dat veel beter gedocumenteerd, iedereen die schade had opgelopen moest dat melden bij de gemeente. De gemeente moest dat weer doorgeven aan de provincie.
Waar het hier om gaat is dat de brandspuit, zo die het die dertien jaar tussen aankoop in 1855 en de brand in augustus 1868 goed van pas is gekomen. In 1879 komt de brandspuit nog een keer ter sprake. Raadslid C.F. Seidel dringt aan op de aankoop van een aanjager voor de brandspuit. Kennelijk had de spuit onvoldoende eigen vermogen om het water op te pompen en op de brand te spuiten. Een aanjager moet daar verbetering in brengen.
Daarmee wordt ook direct een antwoord gegeven op de onderstaande veronderstelling of er nog wel of geen brandspuit in gebruik was bij de gemeente Stad Vollenhove. In ieder geval tot 1879 zo blijkt nu uit de raadsnotulen.
Iets anders dan een brandspuit was er in die tijd nog niet, al zal het er om hangen of er al een brandspuit was die door stoom werd aangedreven. De vraag is dan weer of de gemeente Stad Vollenhove zo vooruitstrevend is geweest om een dergelijk middel direct aan te schaffen. Gelet op de financiële positie van de gemeente zal dat waarschijnlijk niet het geval zijn geweest. De bevolking van Stad Vollenhove bestond voornamelijk uit kleine stadsboeren en vissers die wel een schuit hadden maar daardoor niet per definitie direct rijk waren. De huisjes uit Vollenhove die in het Zuiderzeedorp staan laten dat genoegzaam zien, ze zijn klein terwijl er grote gezinnen in moesten wonen. Met een beetje inschikken kon dat ook wel, de term ontspullen bestond niet en was ook niet nodig want behalve wat bedrijfsmaterialen was er nauwelijks iets extra's. Het dagelijkse meubilair in de keuken en het mooie meubilair in de mooie kamer, als er al ruimte voor zo'n kamer was.
De landadel daar zat wat geld maar die hadden dat weer hard nodig om hun havezathen te onderhouden.
De brandspuit die in het Zuiderzeedorp in het gebouwtje uit Jisp staat opgesteld hoeft gelukkig niet uit te rukken, in geval van een calamiteit zijn er andere materialen beschikbaar. Maar eigenlijk zit niemand op zo'n calamiteit te wachten.
bijdrage geplaatst 20 februari 2026
afbeelding: auteur