Verhaal van Simon Post (geb 1915 in Den Oever -?), vanaf 1926 visser op het wad.
In plm. In 1987 geïnterviewd door Petra Goedings, uitgewerkt en van commentaar voorzien door Iris Hos Engelhart
“Ik ging eerder al te vissen. Doe hadden we een bootje en dan gingen we om de noord, gingen we te poeren (een manier van vissen). Toen was ik 11 jaar. En daar ving ik wat botjes en zo en die verkocht ik meest op Hippolytushoef. Dan had ik een stuk of wat klantjes en dan was ik nog op school.
En dan verkocht ik dat zo en dan had je zo’n beetje….. “ ( niet gehoorde vraag interviewster)
“In het weekeind, ja en soms na schooltijd” ( niet gehoorde vraag interviewster)
“Ja, dat ging wel. Toen mocht je alles hè, want toen was het die tijd dan ging je te vistrappen.
Dan lag er bot, lag er. Op zulke plaatsen waar niet veel water stond, een voetje water stond, lagen die botten te wachten totdat het water weer hoog wier. En als het water dan hoog wier, dan was je d’r uit. (de bot werd schichtig bij opkomst van de vloed) Maar zo lang als het laag water was, en mooi stil weer, dan konnen wij de bot zien leggen en dan probeerden we die te trappen hè. Erop staan ja! Ja, dan gingen we er met één been op staan, maar dan was het veel mis. Toen mocht alles nog. Dus dan eh staken we ze weleens.
Nou, en dat ging veel beter. (sinds 1911 was de botsteker al een verboden vangmiddel) Het is ook weleens weest dat ik eh, dat je dan over de palen most. (de palen van het paalscherm aan de noordkant van Wieringen zijn tijdens de dijkverhoging verdwenen)
Dan stak je ze allegaar aan een draad weet je (achter de kieuwen), nou en dan most dat over de palen heen, want anders kon je d’r niet heen. Maar dan had ik een hoop vis soms. En eh die verkocht ik dan in mijn schooltijd gewoon zo een beetje.
Op Hippolytushoef zat ik op school. Dan verkocht ik ze dan aan deze en gene.
En dan waren er meer van die oude klanten, die d’r ook waren, ouwe mensen. Den was ik nogal jong en die waren den, net als ik nou, oud. En die gingen dan, nou ja als ik ging, den gingen hullie ok mee. Dan was ik eigenlijk…..dan hadden ze steun van mij. Nou ja, en zullie wisten alles (van de visserij), dus dat ging wel goed. Zo ben ik eigenlijk een beetje begonnen te vissen ermee. (Dit is een prachtige beschrijving hoe jong en oud elkaar helpt, naar elkaar omkijkt)
Maar toen later, ja, toen ben ik, toen hew we keerwant ook gedaan en toen hew we een aak gekocht in ’35 (WR 295 ex WR 10) en toen met keerwant vissen. (een keerwant of beug is het botnet dat met stokken op een bepaalde manier vaststaat in de bodem) Ja, dat ging heel anders hè. Dat wier eerst met een beetje en al meer en al meer en op ’t lest had je een berg en op het lest mocht dat ook niet meer. (er werd paal en perk aan de vangst gesteld, want er bleef op het laatst geen bot meer over. Simon was natuurlijk heus niet de enige die op bot viste)
Want dat most dan weer twee beugen worden (kennelijk had hij en ook anderen er meer) en toen mocht je op het lest, net als nou weer, zoveel zetten. (er werd een quotum ingesteld) Dat kwam er ook alweer bij….maar ja, afijn, dat skarrelde nog mee van het beste”. (Hier proef je zijn verongelijktheid waarom een instantie zich nu wél met zijn beroep zou moeten bemoeien terwijl je “vroeger alles mocht”, maar ook dat de vangst nog goed genoeg was om van rond te komen)